Op zoek naar Japanse tuinen deel 2

OP ZOEK NAAR JAPANSE TUINEN

2

TUINEN IN JAPAN

zen is muziek, zen is kunst, zen is beweging
behalve dit is er niets anders om troost in te zoeken
als mijn hart maar zuiver en simpel kan zijn
als dat van een kind
bestaat er geen groter geluk
de bron van het leven is het basale grondvlak
dat aan elke denkactiviteit voorafgaat
de zuivere ervaring als basisconcept
de zuivere ervaring is geen mystieke ervaring
maar een onmiddellijk gebeuren
vanuit de zuivere ervaring ontstaat de hele wereld

 

Nishida Kitaro

Zen no kenkye (1911)
(Een onderzoek naar het goede)

 

Voor dit opstel heb ik uit Droomland – Pelgrimeren op Shikoku (2014) enkele landschappelijke herinneringen aan de herfst van 2008 in Japan geknipt en geplakt.

Kyoto, dinsdag 21 oktober

In m’n nopjes met de verkregen informatie [van de Tourist Office] ga ik via de roltrappen de hoger gelegen verdiepingen van Kyoto Station bekijken. De korte excursie van binnen naar buiten langs beeldengroepen, allerhande kantoren, winkels en terrassen, eindigt in een park op het dak, buiten de gekromde stationsoverkapping van staal en glas … ‘s Middags in hartje centrum, rondom de ommuurde paleizen van de voormalige keizer en z’n hofhouding, liggen de in 1630 aangelegde keizerlijke tuinen (91 ha) met dennenbomen en uitzicht op het Higashiyama gebergte. Hier begint morgen de Jidai matsuri. Onder de naam Keizerlijk park zijn de tuinen in gebruik genomen als openbare ruimte, een oase van rust. Een fietser rijdt het park in over een smal grindpaadje in het midden van het brede wandelpad. Hij zwaait naar een paar tuinlieden, die druk in de weer zijn met onderhoudswerkzaamheden.

Kyoto, woensdag 22 oktober

Ook overdag is het een genoegen om door de straten en pleinen, de houten gebouwen en tuinen van de zen-tempel Myoshin-ji (1337) te wandelen … Het nodige rondvragen leidt naar een kleine groene hof met het graf zonder enige aanduiding van de filosoof Nishida Kitaro … Na de Jidai matsuri rijdt een stadsbus vanuit een ondergrondse terminal terug in noordwestelijke richting naar de Ryojan-ji tempel (1450) … Naast de oudere watertuin bezit de tempel de misschien wel beroemdste zen-tuin. Bij de entree gaan de schoenen uit en in de voorhal kan een maquette van de steentuin worden bewonderd. Daarachter, op traptreden over de volle lengte van de tuin, zitten drommen studenten. In woord en gebaar verkondigen ze de betekenissen van de vijftien stenen, composities van keien en mos, in de laag ommuurde rechthoek van 10×30 m2 met wit grind, waarin  met behulp van brede harken rustige patronen zijn gevormd. De magische kracht van de microkosmos is overtuigend, maar de rust om haar geheimen te doorgronden ontbreekt op dit uur …

Op weg naar de Kinkaku-ji tempel (1397, UNESCO Werelderfgoed) regent het nog steeds. De tempel met het Gouden paviljoen geldt als trendsetter voor de Japanse architectuur … Het paviljoen is een hoogstverfijnde compositie van drie verdiepingen met op elke verdieping een andere plattegrond en een ander vooraanzicht, met een karakteristiek dak van met koper bedekte houten dakspanen, een Japanse uitvoering van de Chinese traditie. De begane grond, die op een stenen fundering rust, ligt aan een vijver, met een aangebouwd paviljoen dat direct uit het water omhoog komt … Na een brand in 1950 is het paviljoen in de oorspronkelijke staat herbouwd in de zwierig aangelegde rotstuin tegen een decor van bergen. Samen met de andere tuinen leveren ze een mooie wandeling op … Op weg naar de Daitoku-ji tempel, een paar kilometer verderop … Tijdens de lunch klinkt Mozarts klarinetconcert.

Daitoku-ji (1325) is het klooster waar de in juli overleden Rotterdammer Janwillem van de Wetering enige jaren studeerde. Het complex bestaat uit 22 tempels, waarvan er 8 toegankelijk zijn voor publiek. Openbare wegen doorsnijden het complex, zo omvangrijk is het geheel. Het tempelcomplex is befaamd om z’n traditionele (thee)tuinen, maar ook om de zen-tuinen. Daisen-in bevat er vier. De tuinen zijn ingericht als driedimensionaal uitgevoerde landschapsschilderijen uit de Chinese Sung dynastie. De tuinen mogen wel bekeken maar niet gefilmd worden. Bij de tuin die de Japanse Binnenzee uitbeeldt is een geknielde vrouw bezig om de beplanting te verzorgen. Het is stil. Buiten luidt de tempelbel voor de volgende periode van de sesshin, maar op dit uur misschien ook wel voor het eten …

 

 

Ik ga op weg naar Kurama ten noordenoosten van het centrum voor de jaarlijkse Kurama-hi matsuri in het kader van het Vuurfestival van Kyoto, die om 18 uur begint. De trein is volgepakt met toeristen uit alle werelddelen.

Fushimi, donderdag 23 oktober

Bij het station van Inari (rijstgod) geeft een grote over de rijweg heen gebouwde torii de route aan naar het shinto heiligdom in Fushimi. Het is het grootste van 30.000 Inari-heiligdommen in Japan. Volgens de toeristenbrochures biedt Fushimi visueel vuurwerk … Fushimi bezoeken betekent een 5 km lange bergwandeling maken door een dicht sprookjesbos met halverwege een bosmeer en bovengekomen met panoramische stadsgezichten. De route vormt een aaneenschakeling van duizenden torii (blz. 28), grotere die samen tientallen laantjes vormen en kleinere die op honderden altaren staan en in rekken hangen. Het is een belevenis, ook fysiek, deze aardse kathedraal / De resterende reistijd naar Ise is lang genoeg om het laatste stuk te lezen uit Het verhaal van Genji, een Japanse klassieker uit de 11e eeuw. Dat was er in Rotterdam niet meer van gekomen. De archaïsche spelling (in de uitgave uit 1930) leest inspannend, maar het verhaal is prachtig.

Ise en Koya, vrijdag 24 oktober

Van station Futaminoura is het nog 10 minuten lopen naar zee, de baai van Ise. Het is nog vroeg en de reli-winkels bij het shinto heiligdom Meoto Iwa (gehuwde rotsen) zijn nog niet geopend. In groene broeken of rokken en witte hemden geklede medewerkers zijn in de weer met bezems en dozen merchandising. De bodem van het waterbekken bij de toegang is bedekt met munten. De twee met een heilige touwconstructie van gedraaid rijsstro verbonden zwarte rotsen in zee, een grote en een kleinere rots, symboliseren het godenpaar uit de scheppingsmythe van de Japanse eilanden. Het is een beeld dat men op veel plaatsen langs de Japanse kust kan vinden … Om 9.30 uur vertrekt de bus naar het nationaal park Ise-shima op het schiereilend aan de Ise- en Toba-baai (het gebied is ook bekend geworden van het eiland Mikimoto, waar Mikimoto Kokichi in 1893 de eerste cultivéparel creëerde). Het park ligt aan de voet van de heilige berg Kami-ji, waarop de zonnegod zou zijn neergedaald, in een woud van meer dan 5.000 ha met oude ceders en cipressen langs de heilige rivier Isuzu-gawa (gawa = rivier). Hier liggen de heiligdommen Nai-ku (binnenste heiligdom) en Ge-ku (buitenste heligdom). De toegangsbrug (hemelbrug?) Ujibashi (bashi = brug) is gemaakt van ongeschilderd hinoki, een extreem duurzame en beschermde houtsoort, afkomstig van de gele cipres (Chamaecyparis, die al eeuwen wordt gebruikt voor de bouw van tempels, badhuizen en badkuipen). De regen gutst in lange strepen naar beneden op achtereenvolgens de hoge torii, het dansende dek van kleurige parapluutjes, het glanzende gekromde brugdek en op de tintelende waterspiegel in de diepte eronder. Het lijkt wel of we in een prent van Hiroshige lopen. Na een lange wandeling door het park bereik ik de trap naar het tempelcomplex van Nai-ku. De rietgedekte gebouwen op poten zijn van een verheven schoonheid. Sinds 690 worden ze eens per twintig jaar ritueel herbouwd op een naastgelegen open terrein vice versa. Het binnenste gedeelte van het tempelcomplex, waar de geesten van overleden keizers wonen, is niet toegankelijk voor het publiek, tenzij op speciale afspraak met de hoofdpriester (dresscode, kosten). De toegang is afgesloten met een groot wit doek waaronder een lange lage bak staat, waarin bezoekers geld offeren. Ge-ku, dat gewijd is aan de voedselgoden en bestemd voor de dagelijkse rituele offering van heilig voedsel, ligt in een ander gedeelte van het park, dat ook bereikbaar is per stadbus, een ritje van 10 minuten. Ge-ku heeft eenzelfde ruimtelijke opzet als Nai-ku, met veel open buitenruimten en weinig gebouwen. Er heerst een gezellige drukte zonder paraplu’s. Twee juffen zijn bezig om een schoolklas in de rij te zetten … De bus rijdt terug naar Ujiyamada station, het andere treinstation van Ise. Daar gaat de trein naar Koya-san, de Koya-berg … Ook in Japanse treinstations klinkt een berichtendiarree met als bijzonderheid dat er meerdere berichten gelijktijdig worden omgeroepen. In de trein komt een medepassagier van twee banken verderop naar me toe voor een interview over de pelgrimage op Shikoku. Hij vraagt honderduit. Hij weet te vertellen dat het koud is op de berg. Als z’n professie geeft hij kok op (handgebaar snijden). In Gojo begeleidt hij me naar het overstapperron, waarna we afscheid nemen. Maar tijdens de wachttijd komt hij terug en overhandigt een papieren draagtas met een doos sushi erin, als m’n eerste o-settai. Dan sta je wel paf als kandidaat-henro! De reis wordt voltooid met de tandradbaan bergopwaarts naar Koya-san. De trein bestaat uit compartimenten die als een trap aan elkaar zijn gelast. Het is inmiddels donker geworden. Met aan boord vijf passagiers wiebelt en knarst de trein gestaag omhoog.

 

de trein heeft zijn tanden in de berg gezet
het lijkt of hij zich langzaam naar boven vreet

Cees Nooteboom
Saigoku – Pelgrimage naar de 33 tempels bij Kyoto (2013)

De traditionele hotelkamer op de eerste verdieping van het klooster bestaat uit een engawa annex berging, het hoofdvertrek en een serre aan de tuinkant, samen ruim 10×4 tatami-breedtes van 91,5 cm = ruim 33 m2. De tokonoma is benut als opstelplaats voor telefoon- en televisietoestel. Op de vloer staan een kotatsu met 4 schuifstoelen en een los elektrisch kacheltje, in de erker een hoog westers zitje. Het bed op de grond is opgemaakt met een kleurig bloemendekbed in een wit hoeslaken met een ronde uitsparing (mandala) erin. Als verlichting hangt er aan het plafond een witte vierkante treklamp met een ronde tl-buis … Voor het sushidiner neem ik samen met twee monniken een bad. Het Japanse bad is een sensatie. Na het eten en het terugkijken van de filmopnames is het tijd om te gaan slapen. De telefoon wijst 22 uur aan, dat is bijna 16 uur na de wekker in Ise.

Koya, zaterdag 25 oktober

Licht is het nog niet echt als het leven op de Koyaberg om 6 uur in de ochtend voorzichtig weer op gang komt. In het klooster klinken bellen en de monniken laten zich al horen … Als ik verfrist weer terugkom in m’n kamer is de futon al opgeborgen en toont de ruimte nog leger. De serre kijkt uit in een patio op de begane grond, die is ingericht als watertuin, allegorisch, kleurrijk en rustig. Grote wit- en roodgevlekte koikarpers draaien met sierlijke zwembewegingen hun rondjes door de vijver, op weg van niets naar niets. Om 7 uur wordt het ontbijt binnengebracht … Een grote pot geurige thee wordt ernaast gezet. Geknield aan de kotatsu onderga ik de leegte en de stilte om me heen. De stilte is geen absolute stilte, maar de afwezigheid van storend geluid. Het enige geluid komt van het watervalletje in de patio. De evenwichtige verhoudingen, de natuurlijke kleuren en de leegheid van de ruimte zijn overweldigend. Dit is geen ascetische karigheid, maar een weldaad. Alle zintuigen komen tot rust. Dan sluit ik m’n ogen en geniet van het hier en nu, de rust in m’n hoofd en de ademhaling in m’n buik.

Koya, later op zaterdag 25 oktober

Het is zonnig. Om 8 uur stopt de bus naar het oostelijk deel van Koya-san voor de ingang van Okuno-in, de necropool die is aangelegd in een parkachtige omgeving. Veel bezoekers dragen de witte henrokleding. Een zonnige wandeling door een brede laan met een bonte verscheidenheid aan monumenten en voorzichtige herfstkleuren leidt naar het mausoleum van Kukai. Aangekomen bij het waterbekken besprenkelen bezoekers hun handen en de achter het bekken opgestelde beelden. Ook ik reinig m’n handen en loop vervolgens een brug over tot het hek, waarachter een smalle laan begint. De kruinen van de bomen filteren het zonlicht. De wierook geurt krachtig. Daar, onder de woudreuzen van Koya, ligt de tombe verborgen van Kobo Daishi. Ik neem de gassho positie in, maakt drie buigingen en vraag eerbiedig om z’n zegen en gezelschap bij de voorliggende pelgrimage. Een koele bries ruist door de ceders. De stem van de Grote Heilige zegt

ik was er al
en zal je pad verlichten
bij alles wat aan je waarneming ontsnapt
namu daishi henjo kongo

Kumakōgen (prefectuur Ehime), vrijdag 7 november

Busreis op weg naar tempel 44 in door inmiddels vertrouwde landschappen van bergen, bossen, stadjes, beboste kloven en ravijnen. En dan ineens, zie ik dat de herfst is ontwaakt. Een pracht aan knapperige tinten geel, bruin en rood begint de hellingen te kleuren. De overgang van zomer naar herfst is welhaast gewelddadig.

Takamatsu (prefectuur Kagawa), maandag 17 november

Tien minuten wandelen van het station Ritsurin-koen ligt het Ritsurinpark van Takamatsu, aan de voet van de 200 meter hoge mount Shiun. De Matsudaira clan (17e eeuw) heeft een eeuw gewerkt aan de aanleg van de zes vijvers en de dertien heuvels van het park, het bekendste monument van de stad. In het park van 78 hectares (entree 400 yen) is een rondwandeling van een uur uitgezet langs groene perken, slingerende waterpartijen en museale gebouwen. Met alle zintuigen geniet ik van de welhaast pastorale schoonheid. Op vierkante stapstenen in een vijver steken mensen over. Op een van de bruggen worden twee kinderen gefotografeerd door een oma die gilt en een moeder die heftig in haar handen klapt voor de kiek. In een andere vijver wordt een school gulzige koikarpers gevoerd – je hoort hun bekken slurpen. Een jongetje springt via ronde stapstenen naar de overkant. Bij elke stap roept hij iets, als een versje. Aan deze vijver ligt het befaamde theepaviljoen Kikugetsu-tei (gerestaureerd in 1980). Witte gevelvlakken weerspiegelen in het water. Een groot deel van de schuifdeuren binnen en naar de veranda’s staat open. De ruimtelijkheid die zich zo ontvouwt bereikt een welhaast metafysische expressie.

 

 

 Sanuki (prefectuur Kagawa), dinsdag 18 november

Bij aankomst in tempel 88 om 12.05 uur breekt de zon door en doet de camera het weer. De omgeving is hemels. Waar het geel op het rood valt wordt de herfst brokaat, als een obi.

Naruto, (prefectuur Tokushima), later op 18 november

Als we na onze certificering bij ommekomst in tempel 1 de trap af de tuin inlopen zwaait een krachtige vrouwenstem in de winkel ons hartelijk uit. Van achter een monumentale ceder, die naast het pad staat dat naar de tempelpoort leidt, komt een oude man tevoorschijn. Behoedzaam schrijdt hij naar voren, terwijl hij steun zoekt op een houten staf, die hij met beide handen omklemt. De man maakt een bescheiden buiging, eigenlijk is het niet veel meer dan een knikje. Hij stelt zich voor als de Amerikaanse schrijver Henry Miller. Luister, zegt hij,

ontwikkel belangstelling
voor mensen, dingen, literatuur, muziek
de wereld is zo boordevol rijke schatten
prachtige zielen en interessante mensen
vergeet jezelf

japanse tuinen
 als een gedicht, als een schilderij of als een sculptuur  voor de goden om in te landen

Deze poëticale zin was de samenvatting van een serie van zes HOVO-colleges in de herfst van 2016, die werd gegeven door de bioloog Titia van der Eb-Brongersma in een bovenzaal bij de wintertuin van de Leidse Hortus botanicus. De begrippen gedicht, schilderij en sculptuur symboliseren de typologische ontwikkeling van de Japanse tuin door de eeuwen heen. Behalve de historische en culturele achtergronden kwamen ook de biologische en technische kanten van Japanse tuinen uitvoerig aan bod, met inbegrip van een schat aan illustraties en literatuur, waaronder het oudst bekende en aanvankelijk geheime handschrift (kennis = macht) over Japanse tuinen, Sakuteiki (11e eeuw). Dit boek is in Engelse vertaling nog steeds verkrijgbaar) … Het is niet aan mij om de inhoud van Titia’s colleges openbaar te maken. Naar aanleiding van de serie wil ik wel een observatie over traditie en vernieuwing met de lezer delen. Met name de transformatie gedurende een millennium van de traditionele voormalige keizerlijke paradijstuinen vanaf de 8e – 12e eeuw, de Heian-periode, via invloeden van de krijgsadel (samurai) vanaf de 12e eeuw en de westerse invloeden vanaf de 19e eeuw naar moderne abstracte tuinen en openbare parken in onze tijd. Zie bijvoorbeeld de overeenkomsten en verschillen tussen de volgende tuin zonder paden uit 1339 in Kyoto (Saihō-ji) en het shakkei van de tuin erna uit 2003 in Awaji (prefectuur Hyogo), ontworpen door Tadao Ando.

 

 

 

De paradijstuinen (blz. 5), geïnspireerd door het Boeddhistische paradijs en het Shinto-ontzag voor de natuur, staan in dienst van het opwekken van poëzie en bestaan voornamelijk uit gazons, vijvers en verbindende bruggetjes uit de Chinese meer- en eilandtuinen. De dominante houdingen zijn denken en zitten, bewegen is varen. Met deze contemplatieve rust is het vanaf de 12e eeuw gedaan, want er verschijnen paden. De dominante houdingen worden wandelen en kijken (ingelijste taferelen). Waardering voor de met het zenboeddhisme meereizende Sung cultuur leidt tot kleine, abstracte kunst, zoals inktschilderingetjes en kleine tuintjes voor de geletterden, die dat zelf kunnen maken en betalen. Het water wordt geabstraheerd (less = more, droge landschapstuin = karesansui). Thee (niet inheems) wordt een rage in Japan (nieuwe etiquette, wabi = eenvoud, theetuin, stapstenen). In de 17e – 19e eeuw, de Edo-periode, verandert de kijk op natuur (shakkei). Met de westerse invloeden begint de opmars van de conceptuele tuin met een vrije keuze van vorm, materiaal en toegankelijkheid (synthetische tuinen, openbare parken). Ook de dominante houdingen worden westers: beleven en ontmoeten … Als tegenhanger van de westerse invloeden in Japan brengen oosterse invloeden in Europa het Japonisme tot bloei (19e eeuw). Later komt de Japanse zen-cultuur in zwang (20e eeuw).

Asarum maximum

(Mansoor)

Nederig aan de goden

 Als de Asarum bloeit worden in Kyoto grote processies gehouden, waarin de keizer zijn nederigheid betuigt aan de Shinto goden. Ondanks de grootheid van de keizer kan hij niet anders dan zich nederig opstellen. De Shinto tempel in de vallei van Kyoto is eigendom van de Hatha-clan. Deze clan was er al voordat de keizer er kwam en had veel macht. Ze leefden aan het begin van de rivier en konden het de lager gelegen gebieden moeilijk maken door het water te vervuilen. Om de Hatha-familie te vriend te houden, houdt de keizer zich nog altijd aan hun tradities.

 

 

3

 GENIUS LOCI

En zijn twee zoons steunden hem, ieder aan een kant, en ieder hield hem bij een arm vast, en hij hield voorzichtig de warme losse aarde in zijn hand. En zij susten hem, en zijn oudste zoon en zijn tweede zoon herhaalden steeds weer: Wees gerust, mijn vader, wees gerust. Het land zal niet verkocht worden. Maar over het hoofd van den ouden man keken zij elkaar aan en glimlachten.

Pearl Buck
De goede aarde (1931)

 

In zijn woonplaats, op de locatie waar hij studeerde en promoveerde, de universiteit van Wageningen, ontmoet ik de landschaps- en tuinarchitect Wybe Kuitert (1956) op vrijdag 19 januari 2018, de dag na de grote storm en ook de dag na het geweldsincident op de universiteit. Hij spreekt met een fluisterende stem … Zijn studie (major landschap, minor stedenbouw) vond buiten Wageningen ook plaats aan de universiteit van Kyoto. Naast een internationale praktijk als tuin- en landschapsarchitect (www.wybekuitert.nl) en 2×15 weken per jaar als hoogleraar aan de nationale universiteit van Zuid-Korea in Seoul wordt zijn aandacht op dit moment in beslag genomen door de nalatenschap van zijn vader, de theoloog Harry Kuitert (1924-2017), die vorig jaar is overleden. Even komt z’n jeugd voorbij, moeder en de bossen in Zweden (paddenstoelen), de moestuin van vader in Friesland (aardbeien), gevolgd door de bescheiden eigen tuin (Japanse kersen). Ook vertelt hij iets over het gezin, dat hij samen met zijn uit Japan afkomstige vrouw en hun zoon vormt. Japans is er de voertaal, naast het Engels.

Zo belanden we bij de bron van alles: de aarde – de grond wel te verstaan. Dan laat hij zijn opengevouwen handen zien, binnenkant, buitenkant, een observatie die De goede aarde (1931) van Pearl Buck bij me in herinnering roept, maar hij kent het niet. Volgens Wybe is de geschiktheid van de grondsoort (biotoop) niet alleen bepalend voor de landschapstypen en de soorten beplanting die erop voorkomen. Eigenlijk zouden ook de vorm en inhoud van elke ingreep of ontwerp vooral bepaald moeten worden door natuurlijke gesteldheid van de locatie. Aanvullende ontwerptechnische ingrepen zouden, zo al noodzakelijk of wenselijk,  altijd volgend en bescheiden van aard moeten zijn. Ze zouden een min of meer vanzelfsprekend, logisch vervolg van moeten zijn van de topografische kenmerken, als iets wat eigenlijk niet anders kan. En zo komt, nog voor het eerste kopje koffie op is, ons gesprek op de paradigma’s van de genius loci en van de maakbaarheid die, las ik ergens, verbonden worden door de dankbaarheid.

Genius is Latijn voor beschermgeest of schutsengel en wordt gebezigd als geest die ergens heerst, een goede of kwade genius, de aanstichter. De genius loci, de plaatselijke genius, is een milieupsychologisch begrip, afkomstig uit de Romeinse oudheid. Het is de godheid aan welke een bepaalde plaats gewijd is, de eigenheid van een locatie, de typische aard of sfeer van een plaats die een indruk nalaat, het verhaal van de plek. Hella S. Haasse schreef een spannende roman met Genius loci (1993) als titel. Het verhaal gaat over een plek in het bos, waar iets mee is. Ontwerpers kiezen soms voor een rol als goddelijk orakel door de genius loci op te vatten als anonieme opdrachtgever en als een verklaring voor hun ontwerp(keuzes). Daarnaast staat het geloof in de maakbaarheid der dingen met als voorbeelden de bouwkunst in het algemeen, maar ook het culturele karakter van de tuin- en landschapsarchitectuur. Ertegenover staat de maakbaarheid met een volledige ontkenning van de genius loci, zoals bijvoorbeeld Rem Koolhaas propageerde met diens slogan: Fuck context.

Terug naar het interview, waar tijdens de gedachtewisseling over het ontwerpen onvermijdelijk de namen voorbij komen van een aantal landschaps- en tuinarchitecten, die een gezamenlijke referentie uit het verleden blijken: (Hans Wittermans en) Klaus Vollmer van het voormalige Delftse Bureau voor stedebouw, onderzoek en landschap OD205, Riek Bakker (BVR), Adriaan Geuze (West 8) en Piet Oudolf. Zij brengen ons bij Wybes dissertatie over Japanse tuinen en zijn meest recente publicatie over de Japanse tuinkunst vanaf de Edo-periode.

In het proefschrift Themes, scenes, and taste in the history of Japanese garden art (1988) wordt de  typologie binnen de Japanse tuinkunst onderzocht vanuit een cultuurhistorisch perspectief. De ruimtelijke beleving van Japanse tuinen (van binnen naar buiten) staat steeds centraal. Dit in tegenstelling tot de Franse cultuurtuinen (1624 Versailles), de latere Engelse landschapstuinen, maar ook bijvoorbeeld de koninklijke tuinen van Het Loo (17e eeuw) in Apeldoorn, die vooral dienden en dienen om te imponeren. Aan de samenvatting van en de 17 stellingen bij het proefschrift ontleen ik het volgende.

Bij de Japanse tuinen worden drie typen onderscheiden, met name 1) de illusietuin, 2) de tafereeltuin en 3) de vrije conceptuele tuin, die worden ontwikkeld in resp. de late Heian-periode (10e – eind 12e eeuw), de middeleeuwen (14e en 15e eeuw) en de eerste helft van de 17e eeuw.

 

1) De tuinen van de adelijkheid in de  Heian-tijd  berusten op de landschapsillusie, door het oproepen en herkennen van de lyrische thema’s … Deze thematische beelden worden overigens niet als tafereel in de tuin vormgegeven, het gaat alleen maar om essentiële onderdelen van het thema. Compositie van vorm is wel belangrijk bij het ontwerpen van decoratieve composities van rotsen in de tuinen. De Sakuteiki spreekt in dit verband van landschapstaferelen zoals ze van nature (en in de landschapsschilderkunst) zijn …

Stelling 2: Planten werden geplant om een stemming weer te geven, niet omwille van een esthetisch beeld. Deze stemming berustte op het oproepen en herkennen van welbekende poëtische thema’s, onlosmakelijk verbonden met bepaalde plantensoorten.

2) In de middeleeuwen komt een tuinconcept op wat berust op het tafereel, de suggestie van een vorm en niet een serie thema’s met impliciete lyrische betekenis, als in de Heian tijd … De opkomende aristocratie van zen-boeddhistische priesters en machtige militairen maken kleine tuinen vóór de gebouwen waarin zij, naar de nieuwe heersende mode, hun bijeenkomsten houden (culturele salons). De tuinen met (kleine) vijvers worden ontworpen om als een tafereel te worden bekeken. Er is een sterke invloed merkbaar van Chinese ideeën. Stenen worden zo gegroepeerd, dat een diepteperspectief ontstaat. De zen-interpretatie, zoals die in onze tijd overwegend in de populaire literatuur te vinden is, maakt duidelijk dat deze visie afkomstig is uit het Japan van de jaren ’30 van de 20e eeuw. Dan scheppen de dreiging van nationalisme en de komst van de Tweede Wereldoorlog een intellectueel klimaat waarin de zen-interpretatie boven komt drijven …

Stelling 5: De Japanse droge landschapsstijl (karesansui) is als zodanig in de 20e eeuw gedefinieerd …

3) In de eerste helft van de 17e eeuw ontwikkelt de tuinkunst zich snel tot een moderne vorm, die niet wezenlijk verschilt van onze eigen 20e eeuw … Een tuin ontwerpen vanuit een abstract concept (de thee-etiquette), alsook het vrij gebruiken van materialen, zijn twee belangrijke stappen naar het totstandkomen van een moderne vorm van tuinkunst … De fantasiewereld van de elite in Kyoto en de groeiende natuurromantiek in de steden, de romantische waardering van vergezichten over weidse landschappen, zijn aan het begin van de 17e belangrijke stuwende krachten achter de modernisering van de tuinkunst. De zogenoemde Goede smaak, die is geïnspireerd door de klassieke idealen uit de Heian-tijd en de laatmiddeleeuwse stadscultuur, is een gemaakte vorm van eenvoud, waarbij inventiviteit hogelijk wordt gewaardeerd.

Kobori Enshū (1579-1647), die wordt beschouwd als een universeel tuinkunstenaar, is een hoge regeringsambtenaar, die aan het hoofd staat van een bureau dat de directie voert over het ontwerp en de aanleg van keizerlijke tuinen.

Stelling 13: Het christendom heeft de Europese tuinkunst in de loop van haar geschiedenis grotendeels ontdaan van mystieke en esoterische elementen. Het boeddhisme heeft dat in Japan niet gedaan.

Aan het slot van het interview blijkt dat de snoeidagen in Den Helder aanstaande zijn, een jaarlijks terugkerend ritueel van drie dagen in de Japanse tuin van de Hortus Overzee, dit jaar van 30 januari t/m 1 februari. Ook het snoeien is een kunst, heb ik vandaag geleerd, omdat het de schoonheid van een boom versterkt. We spreken af om de mensen daar zo mogelijk samen te ontmoeten op een van de snoeidagen. Als we afscheid nemen blijf ik nog even zitten om het interview rustig te laten landen en m’n aantekeningen na te lopen, alvorens terug te gaan naar het station. Wybe zwaait ten afscheid met de woorden: Ik wandel naar huis langs een omweg, dan kan ik misschien de zilverreigers nog zien.

Japanese Gardens and Landscapes, 1650-1950 (2016, 372 blz.), een boek met een gewicht van 1,9 kg, wordt een week later thuis bezorgd door bol.com, € 20 goedkoper dan via de traditionele boekhandel. Het is mooi uitgevoerd en rijk geïllustreerd. Bijvoorbeeld de afbeelding op blz. 29 van een minutieus uitgewerkt papieren model van één van de Daisen-in tuinen in het Daitoku-ji klooster – uit hoffelijkheid van het nationaal museum in Tokyo, staat erbij. Op blz. 145 is een zwartwit foto afgedrukt van de steentuin in de Rioyan-ji tempel, zonder mos. Het toont als sugarfree, maar misschien is het wel calvinistisch of juist tijdgebonden (sabi), het mos moest immers nog opgroeien … De inhoud van het boek wordt in de flaptekst samengevat als volgt.

Mos, stenen, bomen, en zand gearrangeerd in opvallende of natuurlijk ogende composities: de traditie van het inrichten en verfijnen van het landschap is al sinds eeuwen het werk van Japanse hoveniers en ontwerpers. In Japanse Tuinen en Landschappen, 1650-1950 presenteert Wybe Kuitert een rijk geïllustreerd overzicht van de tuinen en hun opdrachtgevers, de mensen die de tuinen creëerden en gebruikten. Hij documenteert ook de modernisatie van traditionele esthetiek in de context van veranderingen in economie, politiek en milieu.

Kuitert begint in de Edo periode (1603-1868), toen feodale heren het landschap van het platteland re-creëerden als een private ruimte. Gedurende deze zelfde periode beschouwden geleerden en geletterden, daarbij de modellen uit de Chinese literatuur volgend, het platteland zonder kunstgrepen als de ideale ruimte om vrienden in te ontmoeten en een kop thee te drinken. Beheerders van herbergen, theehuizen en tempels daarentegen volgden in toenemende mate de clichés van tuinontwerpen zoals die werden voorgeschreven in populaire voorbeeld-boeken uit de massaproductie. Gedurende de late 19e en vroege 20e eeuw namen de nieuwe rijken in Tokyo, die hun fortuin in de industrie hadden vergaard, de esthetiek van de feodale heren over, die appelleerde  aan de naturalistische landschappen en loofbossen.

Geconfronteerd met modernisatie en het Westen, kreeg traditie onvermijdelijk een andere betekenis. Westerlingen die de Japanse tuincultuur probeerden te begrijpen, vonden hun antwoorden in de clichés uit het voorbeeldboek, terwijl in Japan private landschappen openbaar toegankelijk werden gemaakt, gebruiksvriendelijk ontworpen en geheel gesponsord door de overheid. Een eeuwenoude, esoterische en elitaire kunstvorm vergrootte haar bereik tot ieder deel van de maatschappij, voornamelijk door de omvangrijke herbouw die plaatsvond na de aardbeving van 1923 in Tokyo en na het einde van de Tweede Wereldoorlog. In het kielzog van de vernietiging ontstond een nieuw model voor duurzame openbare parken en een verhoogd bewustzijn van ecologische problemen, die bovenal waren geworteld in het natuurlijke landschap van Japan.

Met meer dan 180 kleurenfoto’s en reproducties illustreert Japanse Tuinen en Landschappen, 1650-1950 een geschiedenis van veranderingen en continuïteit over een periode van drie eeuwen. Het biedt een welsprekend voorbeeld voor de lessen uit de Japanse traditie in het licht van de uitdaging, waarmee een snel veranderende menselijke leefomgeving ons confronteert.

 

 

4

 MÁXIMAPARK IN UTRECHT

Het terrein was bijna zevenhonderd hectare groot, en hij begon het onmiddellijk te transformeren … Alles wat ik tot nu toe heb gerealiseerd vormt alleen maar een voorbereiding op mijn artistieke creatie, zei hij. Niets meer dan het decor, zou je kunnen zeggen. Nu wordt het pas menens.

Junichirō Tanizaki

Een gulden dood (1914)

 

 

Een zonnige herfstwandeling op 6 november 2017 door het Máximapark brengt me in contact met de beeldend kunstenaar Martha Goedings, over wie elders meer, en later via een telefonisch interview met de landschapsarchitect Adriaan Geuze (1960). Hij studeerde Landschapsarchitectuur in Wageningen en is daar sinds 2012 buitengewoon hoogleraar. In 1987 richtte bij het bureau West 8 op (Rotterdam, New York, Brussel, website west8.com), won vele prijzen waaronder de prestigieuze Prix de Rome. In 2015 trad hij op als Zomergast bij de VPRO.

In 1997, inmiddels meer dan 20 jaar geleden, won bureau West 8 de ontwerp-prijsvraag voor het Leidsche Rijn Park, een stadspark ten westen van Utrecht c.q. het Amsterdam-Rijnkanaal, dat in 2013 werd omgedoopt tot Máximapark. Hun opdrachtgever is het Projectbureau Leidsche Rijn van de gemeente Utrecht, verantwoordelijk voor  de advisering, ecologie, aanleg en het onderhoud. Dat laatste wordt samen met de vrijwilligersorganisatie Vrienden van het Máximapark gedaan. Het beslaat een gebied van 300 ha als groene en politieke buffer tussen Utrecht en de dorpen Vleuten en De Meern, die in 2001 knorrend werden geannexeerd, omdat op hun grondgebied de grootste nieuwbouwlocatie van Nederland gerealiseerd zou worden, Leidsche Rijn (35.000 woningen). Ter vergelijking: Central Parc in New York meet 341 ha (19e eeuw), het Kralingse bos in Rotterdam 200 ha (20e eeuw). De genius loci van het gebied wordt bepaald door de meanderende bedding van oude rivierarmen en oeverwallen van de (voormalige) Oude Rijn van Harmelen (Utrecht) naar Katwijk (Noordzee), waarvan de geschreven bronnen teruggaan tot de Vikingen. De geologische ondergrond van de rivierbedding vormt binnen het park een meanderend verbindend lint van 50 km. Hierdoor ontstaan niet alleen een grotere ruimtelijke samenhang, maar ook een historisch verband in de tijd, waardoor verhalen kunnen ontstaan, die op hun beurt de culturele inbedding van het plan ten goede komen.

 

Het park heeft drie randen ter bescherming tegen de sub-urbane omgeving en als tegenwicht van de huizenzee. Deze randen bevatten een opnieuw uitgegraven meander van de Rijn, een 9 km lange ecologische zône en een 4 km lange pergola om de Binnenhof, het hart van het park.

Deze laatste is een hortus conclusus van 50 ha, die bestaat uit bos, water, voetgangersgebieden, speelvoorzieningen, en een oude fruitgaard met het kunstwerk Anonieme monumenten van Daniel Roth. Samen vormen zij een afgezonderde groene binnenwereld met een eigen ecosysteem, die toegankelijk is via poorten in de pergola. De pergola zelf is een geperforeerde 6 m hoge flora- faunamuur die allerlei dieren en planten aantrekt. In de omgeving van de Binnenhof liggen sportvelden, volkstuinen en een park met bloemenweiden. Door en rond het park loopt groot netwerk van paden voor wandelaars, fietsers en skaters, waaronder een zes meter brede aaneengesloten route langs Het Lint.

De herfstwandeling vanaf NS-station Utrecht Terwijde door de huizenzee van Leidsche Rijn naar de Binnenhof begint bij het terras en de opvallende puntdakjes van parkrestaurant Anafora op de zuidoever van het water. Er tegenover loopt het pad via een grote Japanse brug, die steunt op basalten landhoofden, door naar de Rododendronhof (rodo-dendron = roos-boom) van West 8. Hier wordt onder meer een Japanse tuin van circa 0,5 ha aangelegd langs het water met grote keien, gesnoeide dennen en een vlakke natuurstenen brug. Naast de brug zal nog een houten pagode worden gebouwd voor trouwfoto’s met bruidjes, gespiegeld in het water. Verderop ligt de Vlinderhof van circa 0,5 ha met de grassen en vaste planten die Piet Oudolf wereldberoemd hebben gemaakt.

Rododendrons! De lievelingsplant van mijn moeder, omdat die maar een paar dagen per jaar bloeide, aan het begin van de zomer, en dan de bergen roze, lichtblauw en paars kleurde … De lente is een schitterend seizoen in de Himalaya: op de valleihellingen overheerst het groen van de rijstvelden, wat hoger bloeiden de rododendronbossen.

Paolo Cognetti

De acht bergen (2016)

vertaling Yond Boeke en Patty Krone

 

 

In de Vlinderhof ontmoet ik Martha Goedings, aan de wandel met een kennis. We maken een praatje. Later op de middag zien we elkaar terug in haar atelier aan de Alendorperweg, die een eindje terug in het park ligt. Martha is opgeleid aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Utrecht en houdt zich al jaren bezig met het Chinese en Japanse inktschilderen, sumi-e (sumi = inkt). Naast het vervaardigen van eigen werk (foto) geeft ze er cursussen portrettekenen en schilderen en workshops sumi-e. Er worden ook regelmatig exposities georganiseerd (website marthagoedings.nl).

Tijdens het telefonische interview op 5 april 2018 vertelt Adriaan nvertelt hij over zijn liefde voor Japan, waar hij veel heeft rondgezworven. Hij memoreert de keizerlijke Katsura-tuinen in Kyoto als de mooiste plek op aarde (blz. 62), het Ritsurinpark in Takamatsu, de houten kopie op ware grootte van de Nihon-bashi (Japan-brug) in het Edo-Tokyo Museum en de gravures, die Hiroshige (van de brug) maakte, allemaal kunstwerken uit de Edo-periode. Deze liefdesverklaring is de inleiding van een college.

Landen met overstromingen, regen, aardbevingen, tsunami’s en dergelijke, zoals Nederland en Japan, maar ook Zwitserland met z’n lawines, hebben stess-culturen. Als een existentiële voorwaarde om er veilig en rustig te kunnen (over)leven, ontwikkelden zich daar in de loop der eeuwen cultuurlandschappen van geritualiseerde stilte. Vanuit de Hollandse traditie om van de nood een deugd te maken ontstonden de polders en droogmakerijen, in al hun eenvoud – sober, ingetogen, calvinistisch. In Japan ontwikkelden zich de verstilde landschapstuinen met donaties uit het omliggende landschap (shakkei). Voor het concept van het Máximapark is de Japanse tuin als metafoor gebruikt en ingevuld met stijlelementen uit de Japanse traditie, zoals de bruggen. Anders dan bij burgerinitiatieven in het verleden, zoals de parken Clingendael en Westbroek in Den Haag, die door particulieren werden gefinancierd, heeft de overheid geen geld om een publiekspark met een omvang als het Máximapark in één keer aan te leggen. Het concept functioneert dan ook als casco, waarbinnen het vrije spel der krachten geldt en waaruit in de loop der decennia initiatieven kunnen worden ontwikkeld. De grote Japanse brug bijvoorbeeld, met een exacte Nihonbashi-detaillering, kon worden gerealiseerd dankzij de inzet van een leerbedrijf, de Stichting Bouwloods Utrecht. De rododendrons, afkomstig van een kwekerij uit Hannover, worden gesnoeid door vrijwilligers, die hiervoor een Japanse snoeicursus hebben gevolgd.

 

 Na het college over Japan en het Máximapark in Utrecht gaat het gesprek ter afsluiting ook nog even over het paradigma van de maakbaarheid en de actuele bijdragen van West 8 aan thuisstad Rotterdam, zoals de rode loper van het Centraal Station naar de binnenstad en de Coolsingel-boulevard in uitvoering.

 

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.