Op zoek naar Japanse tuinen deel 1

 INLEIDING

 Volgens Haruki Murakami is de juiste aanpak voor een schrijver: Observeren, observeren en nog eens observeren, en het oordelen zo lang mogelijk uitstellen.

 

 

Het is met de nodige schroom dat ik hierna iets over Japanse tuinen zal opschrijven, omdat het niet mijn vakgebied is. Samen met Ed Coenen, een bevriend hovenier in opleiding, heb ik me in mijn jonge jaren eenmalig bezondigd aan het ontwerpen van een tuin, gelegen in een nieuwbouwwijk van de stad H. in de provincie O. Deze onderhoudsvriendelijke tuin voor een echtpaar op leeftijd was een eenvoudige compositie van baksteen en betontegels, ingevuld met heide en andere beplanting, de voortuin zonder afscheiding met het trottoir, de achtertuin met aansluitend terras in hetzelfde verhardingspatroon. Het ontwerp koos hiermee ook voor een zekere distantie tot de groene zelfvoldaanheid van de tuinen in de omgeving. Tot onze grote verrassing werd er in 1972 een eerste prijs aan toegekend door de jury van de Groencommissie van de wijk. Tijdens m’n studiejaren in Rotterdam heeft de fascinatie voor ruimtelijk ontwerpen zich niet verder ontwikkeld in de richting van natuurlijke, maar van (steden)bouwkundige ruimten en van interieurs. Daarop waren wel enkele uitzonderingen,  zoals het werk uit de jaren ’70 van de ecofilosoof en landschapsarchitect Louis G. le Roy. Diens motto was: De mens kan niet zonder natuur en de natuur kan prima zonder regels. Le Roys magnum opus is de groene kathedraal in Mildam bij Heerenveen – in welhaast absolute tegenstelling tot die andere groene kathedraal, van de beeldend kunstenaar Marinus Boezem, die in Almere staat. In 2008, kort na mijn pensionering, heb ik in Kyoto en andere plaatsen een aantal Japanse tuinen geobserveerd. Nog weer later heb ik in 2016, op de grens van de ouderdom, een serie HOVO-colleges over tuinarchitectuur in Japan gevolgd in Leiden. Dat is eigenlijk alles.

In 2018 heb ik een volgende zoektocht ondernomen naar de magie van de Japanse tuin (nihon teien), met observaties op locatie, in boeken, het wereldwijde web en interviews met echte professionals. Het verslag van deze zoektocht bestaat uit de volgende opstellen.

Inleiding
1 Hortus conclusus
2 Tuinen in Japan
3 Genius loci
4 Máximapark in Utrecht
5 Tuinen in Nederland
6 Tuinen in België en Duitsland
7 Particuliere tuinen
Uitleiding
Verantwoording

De opstellen worden in 2019 als serie gepubliceerd in de nieuwsbrieven en op de website van de Nederlands-Japanse Vereniging (www.njv.info) en verschijnen in gebundelde vorm als essay, getiteld Op zoek naar Japanse tuinen, met Van Goghs amandelbloesem als omslag (verkoper bol.com). Het boekje is opgedragen aan Ed Coenen, in dankbare herinnering aan ons project uit 1972 in een nieuwbouwwijk van de stad H. in de provincie O. Feedback op de inhoud of naar aanleiding van deze publicaties is welkom bij de auteur.

Rotterdam 春 2019
Maarten Valkenburg

Nelumbo nucifera
(Lotus hasu)
Symbool van zuiverheid

Lotuswortel is de wortel van de Heilige Lotus, een bijzondere waterplant. Oorspronkelijk komt deze uit India en Indonesië. De plant groeit in een moeras, maar de bladeren en de bloemen zien er nooit modderig uit. Daarom is de Lotus een symbool van zuiverheid in het boeddhisme en het hindoeïsme. De plant heeft roze bloemen die op een stengel recht uit het water steken. De vrucht van de plant is half kegelvormig. De zaden bevinden zich in gaten. Als ze rijp zijn buigt de vrucht zich naar beneden, zodat de zaden in het water vallen. De Japanse naam van de plant is hasu, wat een verbastering zou zijn van hachisu, wat bijennest betekent. De vrucht lijkt namelijk wat op een bijennest. De wortel bestaat uit langwerpige, gelige knollen met spikkeltjes. De grote verrassing komt bij het doorsnijden van de wortel. Dan is er een prachtig patroon van luchtkamers te zien. De eetbare wortel heeft geen uitgesproken smaak maar lijkt wat op aardappel en bevat veel zetmeel. Om hem te eten moet je hem schillen en in dunne plakjes snijden die je vervolgens kunt koken, stoven of door een beslagje halen om ze te frituren en er chips van te maken.

——————————————————————————

1

HORTUS CONCLUSUS

Tegen het zuidoostelijke kwartier lagen hoge heuvels met alle bomen die in de lente bloeien, en een uitermate lieflijke vijver. In het gedeelte van de tuin tegen het huis plantte Genji niet alleen gewassen die op hun best waren in de lente, zoals de witte pijnboom, de rode pruim, de kers, de blauweregen, de kerriaroos en de rotsazalea, want tussen al deze gewassen bracht hij typische herfstplanten aan … In de tuin van hare majesteit plantte hij tegen de heuvel die er al lag bomen die een rijke weelde aan herfstkleuren zouden voortbrengen. Het water van een heldere bron werd omgeleid, om een beekje te vormen dat in de verte verdween. Hij bracht rotsen aan die het water beter deden zingen, en hij creëerde ook een waterval. Op de brede vlakte die hij met het oog op de herfst had aangelegd, groeide er net een bonte mengeling najaarsbloemen.

Murasaki Shikubu
Het verhaal van Genji (1021)
hoofdstuk 21: De danseresjes

De benaming landschaps- en tuinarchitectuur als vakgebied roept bij mij als leek onder meer associaties op met overgangen en tegenstellingen, zoals licht (zon) en donker (schaduw), groot en klein, buiten en binnen, open en gesloten, natuurlijk en kunstmatig, openbaar en privé. Reeds met de bouw en aanleg van de oudste tuinen uit de geschiedenis, de legendarische tuinen van Babylon, hebben ontwerpers geprobeerd om geografische, ecologische, ruimtelijke en psychosociale tegenstellingen te overbruggen, te verbinden of met elkaar te verzoenen.

Tuinen zijn van oorsprong oorden van rust en stilte, orde en genot in een chaotische en vijandige wereld. Plaatsen waar de natuur buitengesloten wordt en tegelijkertijd zichtbaar gemaakt wordt in water en koelte, vruchtbare grond en een mooi uitzicht. Soms komen deze twee werelden, die van het onwereldse ideaalbeeld en die van het reële landschap bij elkaar, zoals in de omsloten tuin, de hortus conclusus. Zij vertegenwoordigt als het ware de tuingeschiedenis 1.0. Het woord tuin is etymologisch verwant aan het Engelse town en betekent heg, omheining. Het begrip hortus conclusus is ontleend aan het bijbelse Hooglied 4:12 met de woorden: Mijn zuster, o bruid! Gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. Het concept van de hortus conclusus voldeed aan een aantal voorschriften, dat beantwoordde aan een fundamentele drang naar introspectie en gaf uitdrukking aan een bijzondere visie op de natuur, een kosmische gerichtheid op het landschap. In het Westen, dat hierin schatplichtig is aan de Perzische en Moorse cultuur, werd het concept toegepast in bijvoorbeeld Spanje (Granada), Nederland (abdijtuinen en begijnhoven) en in Noord-Amerika (WTC-memorial, New York). De Erasmiaanse tuin uit het Convivium religiosum (1522), waarin de auteur een rondleiding voor gasten door een besloten tuin beschrijft, is een hortus conclusus naar Italiaans voorbeeld, een buitenplaats met een sociale functie. In de Lof der Zotheid (1511) schrijft Erasmus overigens: De natuur haat namaak en zonder menselijk ingrijpen groeit alles het beste.

In het nabije Oosten, in het gebied van de zogeheten vruchtbare sikkel, begonnen jager-verzamelaars meer dan 10.000 jaar geleden voedingsgewassen te kweken, voornamelijk granen en groenten. Niet erg lang daarna gingen groepen mensen over tot het houden van vee en huisdieren. Deze overgang van jager-verzamelaars naar landbouwers met een vaste woonplaats staat bekend als de Neolithische revolutie. Vermoedelijk is dit het eerst gebeurd in Mesopotamië, het tweestromenland van Eufraat en Tigris. Hier ontstonden zo’n 6.000 jaar geleden uit samenlevingen van landbouwers de stadsstaten, zoals Ur en Uruk, als eerste vorm van verstedelijking. De wereldbevolking uit die tijd wordt geschat op 10 miljoen mensen. Inmiddels zijn dat er 7 miljard, van wie meer dan 50% in steden woont, met de Chinese agglomeratie Beijing-Sjanghaj als grootste (400 miljoen inwoners). In Nederland is dat 85%, in Japan 95%.

 

 

Babylon, hoofdstad van Mesopotamië, werd in de Romeinse oudheid al bewonderd vanwege de omvang van de muren. Het was in die tijd de grootste ommuurde leefgemeenschap. De hangende tuinen werden volgens de overlevering in de 6e eeuw BC in opdracht van koning Nebukadnezar gebouwd bij het huidige Bagdad in Irak. De tuinen vormden een bijzonder botanisch en architectonisch kunstwerk dat toen al als een wonder werd beschouwd. De tuinen bestonden uit een serie terrassen, omringd door muren met torens. De muren waren volgeplant met bijzondere bomen, planten en bloemen. Het moet een bijzonder gezicht zijn geweest in een woestijnlandschap, dat vooral werd bepaald door zand. Het bouwwerk mat ongeveer 150×150 m2 (225 are) en was 30 m1 hoog. De tuinen hingen als het ware boven de oevers van de Eufraat. Bijzonder was de irrigatiemethode via onderaardse kanalen, die zorgden voor de aanvoer van water. Het aanleggen van de tuinen duurde waarschijnlijk van 606 tot 562 BC, een periode van meer dan 40 jaar. Volgens de legende liet Nebukadnezar de tuinen aanleggen om zijn depressieve echtgenote Amytes op te vrolijken. Amytes kwam uit een bergachtige streek en was gewend veel groen om zich heen te hebben. De tuinen moesten haar helpen wennen aan het leven in de stad. In de 20e eeuw werd de ingenieuze vergroening van gebouwen met beplante gevels, daken en terrassen een ecologische trend, die zich wereldwijd lijkt te vertakken.

De weelderige tuinen van Babylon werden uitgebreid beschreven door de Griekse historici Strabo en Diodorus Siculus. Verder zijn er weinig concrete bewijzen voor het daadwerkelijke bestaan van de tuinen bewaard gebleven. Wel zijn er indirecte aanwijzingen gevonden bij opgravingen van het paleis in Babylon, maar deze sluiten niet aan bij de soms zeer uitbundige beschrijvingen van de pracht en praal van de Babylonische tuinen. Het is mogelijk dat in de loop der tijd de tuinen verward zijn met die van Nineveh. Babylonische kleitabletten beschrijven namelijk wel tuinen in Nineveh, inclusief een op een schroef van Archimedes gelijkend proces om water op de gewenste hoogte te krijgen voor voldoende irrigatie. Assyrische vorsten zoals Assurbanipal hadden inderdaad hangende tuinen laten aanleggen en zij verzamelden planten en bomen. Volgens de legende zorgde Semiramis, de dochter van de godin Derketo en de echtgenote van een Assyrische vorst, voor de hangende tuinen in Assur. Hun faam zou geprojecteerd zijn op Babylon. In sommige verhalen wordt Semiramis als bouwmeester van de Babylonische tuinen genoemd. Gioacchino Rossini eerde haar in een opera naar Voltaire, die wordt ingeleid met een zinderende ouverture. Semiramide ging in 1823 in première in het operatheater La Fenice van ’s werelds grootste watertuin, Venetië … als het Troje van Aeneas, een stad die was en die al bezig is een mythe te worden, waar Antonio Vivaldi de seizoenen bezong en waar Igor Stravinsky rust vond onder het diepe groen der cipressen in de hortus conclusus van de dodenakker op het eiland San Michele na de wijding van de lente.

 

De tuinen uit de Chinese traditie zijn stadstuinen, als een gevolg van verstedelijking. De typische Chinese tuin is een stadstuin, een volkstuin zouden wij zeggen. Het beperkte oppervlak en de heimwee naar een geïdealiseerd rustiek bestaan bepalen de vorm en inrichting van de tuin. Ook de keizerlijke  tuin aan de noordkant van De verboden stad (15e  eeuw) in Beijing is hiervan een voorbeeld.

De elite, de keizers voorop, liet tuinen bouwen waarin de kenmerkende aanlegprincipes van de Chinese tuinkunst werden ontwikkeld, met name

yang zhong yuan
een tuin omsloten door een tuin

geleend landschap
uit ruimtegebrek, met elementen uit de omgeving

feng shui
geomantische regels

synthese
van natuur (qi), architectuur en schilderkunst

 

evenwicht en symmetrie.
De elementen in de tuin zijn soms imitaties van beroemde (in gedichten vereeuwigde) landschappen en bergen in de vorm van bijvoorbeeld kunstig opgestapelde stenen (jia shan). Kenmerkend voor de tuinkunst was het vermogen om doorkijkjes en omlijste panorama’s te creëren (jie jing) door middel van architectuur of kunstig opgestapelde stenen. Elementen met yin en yang moesten in evenwicht zijn. Daarom moesten bijvoorbeeld steile oevers (yang) uitmonden in meren (yin). De beplanting volgde literaire en symbolische canons. Zo kon een kenner een tuin lezen als ware het een boek, soms ook letterlijk, als er (stenen) tekstborden in de tuin waren aangebracht. Van deze literaire en botanische canons is overigens de inhoud veel minder bekend dan het bestaan ervan. Hieruit stelt zich de vraag wat een leek (niet) zal ervaren. Niet specifiek Chinees, maar wel behorend bij de uitrusting van tuinen zijn de fauna (vissen, schildpadden, vogels), verlichting (stenen lantaarns), (houten) gebouwen (tempel, theehuis) en wierookbranders.

 

In Nederland heeft bijvoorbeeld Haren een Chinese tuin, genaamd Het verborgen rijk van Ming (62 are). De tuin is een onderdeel van de Hortus botanicus (17e eeuw, 20 ha, website hortusharen.nl) van de Universiteit Groningen en in 1995 aangelegd op de zandgrond van de 70 km lange Hondsrug. De hortus ontvangt circa 25.000 bezoekers per jaar.

Het ontwerp is van prof. Le Wei Zhong en geïnspireerd door de eeuwenoude Ming-tuinen van Suzhou (UNESCO Werelderfgoed, gelegen circa 100 km ten westen van Shanghai). De materialen zijn authentiek, uit China verscheept en gebouwd door Chinese vakmensen. De tuin is uniek in Europa. Buiten China is een dergelijke tuin alleen nog in Canada en Australië te vinden.

 

 

De Chinese voorbeelden hebben de Japanse tuinen sterk beïnvloed. In de 7e eeuw werd behalve het Chinese schrift en het boeddhisme ook het Chinese tuinconcept in Japan geïntroduceerd. Hieruit ontwikkelde de Japanse traditie zich langs eigen wegen van perfectionering en vernieuwing tot haar huidige vorm in de moderne tijd vanaf de 17e eeuw, de Edo-periode. In tegenstelling tot de Chinese stadstuin is de Japanse tuin een landschapstuin. De rol en betekenis van de natuur in de Japanse cultuur kan nauwelijks worden overschat. In de shinto traditie (shinto = de weg der goden) wordt een bezielde geest (kami) niet alleen aan goden en mensen toegekend, maar ook aan elementen uit de natuur, zoals een boom, een waterval of een kei, samen met overeenkomstig respect en toewijding (godsdienst). Een ander onderscheid dat wel wordt gehanteerd is, dat Chinese tuinen verblijfstuinen zijn en Japanse tuinen gericht zijn op contempleren (mediteren), kijken (vanuit de woning, tempel) en reizen (lopend van plek naar plek). Verder zijn het aanleggen en onderhouden van Japanse tuinen arbeidsintensief.

Ontwerpprincipes van de Japanse tuinkunst zijn

shakkei
geleend landschap, harmonisch overlopend in het omringende landschap, zodat de tuin groter lijkt, bij kleine tuinen ook in de vorm van doorkijkjes – maar niet alleen als ruimtelijke continuïteit. Shakkei betekent alles gebruiken voor de tuin wat het landschap biedt: vijf, zes zintuigen komen aan bod.

miegakure
verbergen en stap voor stap onthullen en ontdekken, ook door middel van doorkijkjes

miniaturisering
om de tuin groter te laten lijken of om grote elementen in de tuin op te kunnen nemen, zoals bergen (keien), zee (vijver, grind) en bomen (bonsai = Chinees)

geluid
bijvoorbeeld van een waterval, een shishi-odoshi of een suikinkutsu. Een shishi-odoshi is een bamboehouder, die wordt gevuld door een waterstraal en dan met een klap omslaat tegen een steen, oorspronkelijk vogelverschrikker. Een suikinkutsu is een klein ondergronds waterreservoir waar water indruppelt en een zacht gegalm in de tuin laat horen, omdat er een aardewerken pot overheen is geplaatst voor de akoestiek

harmonie en asymmetrie
de tuin moet er uitzien alsof de natuur haar zelf zo gemaakt heeft. Elke boom en elke steen lijken lukraak geplaatst, maar zijn in het ontwerp perfect zo uitgedacht.

 

 

Prunus serrulata
(Japanse kers – Oshima)
Verfijnde schoonheid

De Japanse bergkers, ofwel Prunus serrulata vormt de grootste groep van Japanse kersen. Het zijn over het algemeen lage bomen of struiken met enkele uitschieters tot 20 meter. Deze kerssoort komt behalve in Japan ook in Korea en China voor. Het is van nature een bergbewoner, maar er is ook een zeer variabele eilandvorm, de Oshima-kers. De Oshima-kers groeit op het vulkanisch gesteente van Oshima. (Het grote eiland voor de Japanse kust in de Saganmibaai bij Yokohama. O = groot en Shima = eiland.) Hij is uitstekend aangepast aan het ruwe eilandleven, maar staat vooral bekend om zijn verfijnde schoonheid en amandelachtige geur. Niet voor niks stond de Oshima-kers van oudsher bij de ingang van de eerbiedwaardige zitslaapkamer, het privévertrek van de Shogun. In Japan wordt de bloesem van de Oshima-kers gezouten en verwerkt tot een warme drank met een delicate kersengeur. De meeste Japanse kersen zijn eetbaar, maar lang niet allemaal even lekker. De spruiten van de jonge bladeren worden vaker gegeten en bij theeceremonies om cakejes gevouwen, die daardoor de geur en smaak van het blad aannemen.

 

 

Boekenlegger op de permalink.

Reacties gesloten.